Het ontstaan van contactcenters
Niemand kon vermoeden, dat de ontwikkeling door het Defense Advanced Research Projects Agency (DARPA), om informatie via computernetwerken te verzenden (kortweg ARPA-Net genoemd), ooit zou leiden tot het internet dat wij nu kennen.Wat
nog minder bekend is, is dat ook het callcenter in feite een product is
van toepassingen in de (Amerikaanse) defensie-industrie.
De eerste callcenters werden aan het eind van de jaren '70 ingericht in de Verenigde Staten. Dit kwam voort uit een grootschalige reorganisatie van het Amerikaanse leger, waarbij telecombedrijf
AT & T door de overheid in de gelegenheid werd gesteld om de
telecom-infrastructuur van een strategisch legeronderdeel over te nemen, iets dat nu Business Process Outsourcing zou worden genoemd. Met
behulp van deze geavanceerde infrastructuur werd het voor AT & T
mogelijk om ‘long distance’ telefoonservices te gaan verkopen tegen,
voor die tijd, ongekend lage tarieven.
Door deze lage tarieven werd
de telefoon voor het Amerikaanse bedrijfsleven een aantrekkelijk
verkoopinstrument en een welkome aanvulling op de tot dan toe
gehanteerde marketing- en verkoopmethoden; persoonlijke verkoop en
direct mail. Hoewel telemarketing in die beginjaren alleen voor
zakelijke doeleinden (Business to Business of “B2B”) werd ingezet,
ontdekte men al snel de mogelijkheden van telemarketing op de
consumentenmarkt (Business to Consumer of “B2C” ).
Toen in de
jaren ’80 uit diverse onderzoeken naar voren kwam
dat bedrijven veel klanten verloren, door slechte bereikbaarheid en matige tot slechte dienstverlening, kreeg het
gebruik van de telefoon voor zakelijke doeleinden een enorme extra
impuls. Er werd naar technische oplossingen gezocht om grote volumes aan telefoongesprekken centraal te kunnen afhandelen. Dit zou immers veel beter beheersbaar zijn en dus goedkoper.
Om
de telefonische bereikbaarheid te verbeteren, ging men sturen op
gemiddelde wacht- en gesprekstijden. Daarnaast introduceerde het bedrijfsleven (opnieuw met behulp
van de infrastructuur van AT & T) gratis telefoonnummers voor consumenten en afnemers, die naar de zogenaamde callcenters leidden. Deze servicenummers werden zo breed mogelijk gecommuniceerd.
Om al dit ‘inbound’ telefoonverkeer (van de consument, of afnemer naar de
organisatie) in goede banen te leiden, richtten organisaties aparte
bedrijfsomgevingen in (een mix van mensen, middelen en processen). Deze waren gericht op het zo effectief en efficiënt mogelijk verwerken van
telefoonverkeer. Het (inbound) callcenter was een feit. Vaak
werden gelijktijdig alle telefoonlijnen die voorheen rechtstreeks naar
medewerkers in de organisatie leidden, naar het callcenter omgeleid.
Het aantal callcenters groeide explosief. De
technologie werd vrij snel geëxporteerd naar andere werelddelen en ook
in Europa maakte het callcenter een snelle opmars, met name in het
Verenigd Koninkrijk en in Nederland. Steeds meer organisaties
gingen over tot het inrichten van een eigen ‘inhouse’ callcenter om het
telefoonverkeer zo snel mogelijk af te handelen (op kwaliteit of
wachtrij-verwachting werd nauwelijks gestuurd).Daarnaast ontwikkelde zich ook een aparte bedrijfstak; die van de zelfstandige (facilitaire) callcenters. Deze bedrijven specialiseerden zich in het overnemen van inbound en outbound telefoonverkeer van organisaties.
In
de meest geavanceerde verschijningsvorm (het geïntegreerde IP
contactcenter) worden alle klantcontacten via digitale
netwerkoplossingen geïntegreerd door een afgewogen mix van
routeringsapplicaties (spraak- en/of telefoontoets gestuurd),
callcentermedewerkers, kennissystemen, CRM en selfservice tools.
“Customer
care” is een filosofie die binnen de gehele organisatie dient te worden
geborgd, van de directie tot en met de koffiejuffrouw. Het
contactcenter is daarbinnen het kloppende hart.
Het contactcenter
geïntegreerd binnen de organisatie wordt niet langer als kostenpost beschouwd, maar als
“value center” voor medewerkers en klanten, als profit center voor
Marketing- en Sales-afdelingen en
draagt zo aantoonbaar bij aan de aandeelhouderswaarde van een bedrijf.
Dit ideaalbeeld lijkt voor veel organisaties –in meerdere opzichten- nog ver weg.
Wie
afgaat op de media, consumentenprogramma’s en –organisaties, krijgt de
indruk dat het kommer en kwel is, als het gaat om wachttijden aan de
telefoon, het nakomen van afspraken, het beantwoorden van e-mails (te
laat of helemaal niet), onaardige medewerkers, et cetera.
Laten
we echter niet vergeten dat deze alleen een vergrootglas leggen op hetgeen er
mis gaat in de branche. Immers: goed nieuws is geen nieuws.
Jaarlijks zijn er 700 miljoen contacten tussen bedrijven en consumenten en natuurlijk is elke klacht er één teveel. Echter,
wie het totaal aantal klachten naast het totaal aantal contacten legt,
moet wel constateren dat er buitengewoon goed wordt gewerkt aan
klanttevredenheid.